Nadat we voor onszelf hadden besloten om ‘anders’ film te willen maken waren er twee opties. Een vierdejaars film als experiment aangaan, óf eerst research gaan doen met een uitgebreide plan van aanpak, zodat we onze vervolgstappen op ons onderzoek konden baseren. De laatste optie leek ons het meest logisch. We wilden het tenslotte goed doen! We begonnen met het onderzoeken van meerdere soorten manieren van werken in het werkveld, dit deden we door middel van het afnemen van interviews. Laat ons je hieronder meenemen in enkele gesprekken.


 

ROMKE FABER
 

Terwijl we vol motivatie rond aan het kijken en vragen waren, werd het al gauw duidelijk dat veel neuzen richting Romke Faber wezen. Op een vroege ochtend spraken we met hem af in een klein cafeetje in Amsterdam-West. Romke stapte vrolijk het café binnen terwijl wij zenuwachtig onze vragen nogmaals op elkaar toetste. Als afgestudeerde production designer heeft Romke zich al tijdens zijn studie verdiept in samenwerkingsvormen. Dit heeft ertoe geleidt dat hij zijn specialisme heeft gevonden in Worldbuilding. Worldbuilding is een manier van conceptontwikkeling waarbij er een constructie wordt gemaakt van een fictieve wereld in een digitale setting. Er ontstaat zo meer verdieping en er wordt meer backstory gecreëerd  voor de karakters in deze specifieke wereld. Het scenario wordt meestal tijdens het bouwen van de wereld geschreven, of zelfs daarna.

 

Na een korte uitleg van ons idee begon Romke meteen veelbelovend met de woorden: “ga asjeblieft experimenteren, dat leidt altijd tot iets positiefs.”

 

Romke begon op de Filmacademie al met experimenteren. Samen met de regisseur Igor Kramer was er al vrij vroeg een idee om zonder script een film te ontwikkelen. Dit werd uiteindelijk door de Filmacademie niet toegestaan, maar door de jaren heen bleven ze als groep experimenteren om zich voor te bereiden op de eindexamenfilm. Zo gingen ze bijvoorbeeld met de crew en acteurs een weekend naar een locatie en

onderzochten ze hoe de locatie de film/het verhaal verder bracht.

Omdat er toch een script moest komen, besloten ze het script op een andere manier vorm te geven, ze speelde bijvoorbeeld met verschillende soorten fonts en kleuren. Uiteindelijk was alles voor het draaien zo goed geregeld dat het proces vlekkeloos verliep en de experimenten geslaagd waren.

 

Na de Filmacademie ging Romke verder met experimenteren. In 2008 was hij in L.A. op een conferentie voor immersive design. Hier werden de ogen van Romke geopend. “De tijd van de digitale wereld is in zicht”, spreekt Romke, “er moet een nieuwe evolutionaire stap komen om technologie en film samen te laten gaan.” Zo is voor hem Worldbuilding standaard een vorm geworden om mee te werken. Door het visueel te maken en een geluidatmosfeer te creëren, waar tegelijkertijd de karakters in worden vormgegeven, vindt er een kruisbestuiving plaats.  “Digitalisering in film is de toekomst. Dit gaat absoluut gebeuren", aldus Romke. De productie verloopt non-linear en alles vloeit meer in elkaar over. Omdat de makers zich zo in de wereld begeven, wordt het meteen zichtbaar wat wel en niet kan. Rome legt uit dat er wel grenzen nodig zijn. Hij zegt dat afkadering noodzakelijk is. “Je moet werken vanuit de

disciplines, iedereen moet vanuit zijn eigen vakgebied kennis overdragen.”

Romke heeft nog niet eerder bij het begin van een concept meegewerkt aan de ontwikkeling, wel merkt hij op dat scenaristen vaak ontzettend enthousiast zijn als hij zijn ideeën uit. Vaak is het dan al te laat.

 

Hoe denkt Romke over andere samenwerkingsvormen? Hij zegt duidelijk dat het pas gedijt onder één voorwaarde: mensen moeten er open voor staan. Hij stelt: “film is juist, met elkaar een verhaal vertellen.” De jongere generatie, zegt Romke, heeft al veel meer behoefte om samen te werken en dingen te delen. Mensen zijn misschien nog niet bekend dat er ook

andere manieren zijn. Waarom gaat het dan zo vaak toch mis? Romke zegt dat dit vaak met controle en onzekerheid te maken heeft, wat wat hem betreft niet gezond is in een proces.

 

De waarde van elk departement tilt het geheel naar een hoger plan. Maar: iedereen moet in dezelfde mindset komen. Romke vertelt een anekdote over twee verschillende makers: George Lucas heeft een idee, en huurt getalenteerde mensen in om het uit te voeren. Spielberg heeft een idee, huurt ook getalenteerde mensen in, maar ondervraagt met hen het idee, om zo tot nog een beter idee te komen.

 

Wanneer je kijkt naar de schoonheid van het maken en daarmee de samenwerkingen, zie je dat het niet om ego’s gaat. Romke zegt dat je ego in dienst van het verhaal moet staan. Dan kunnen er dingen gebeuren die je niet verzint. Wat heb jij te brengen, om dit verhaal beter te maken? Zo kan je vanuit je ziel vertellen en de urgentie voelen van het verhaal. Je hebt wel iemand nodig die zegt: die kant op, terwijl je open blijft staan voor de input van anderen.

 

Terwijl wij aandachtig en geïnspireerd luisterde, benadrukte Romke nogmaals dat iedereen gaat excelleren vanuit zijn of haar eigen vakgebied als er open gewerkt kan worden. Ook geeft hij ons terug: wanneer je alle vakgebieden loslaat, kan dit doel moeilijker bereikt worden.

 

Romke heeft zijn eigen pad bewandeld en is gespecialiseerd in een eigen richting, hij gelooft hevig in verandering en spreekt veel vanuit de woorden: ontwikkeling, ervaring en groei. Dit sluit goed aan bij onze ideeën.

 

Als laatste vroegen we ons af waarom de verandering zo langzaam gaat? Romke stelt dat verandering altijd tijd nodig heeft, maar zegt ook dat onze Nederlandse filmlandschap heel erg gericht is op de auteurstheorie. Iets wat een hele andere constructie verlangt. "In Duitsland of Amerika wordt er al heel anders gekeken naar conceptontwikkeling, iedereen is aan de voorkant al veel meer betrokken. Regisseurs kunnen bijvoorbeeld nog wisselen op 1 project, terwijl de production designer blijft. Ook ontwikkelen ze al veel meer in beeld, wij denken meer uit verhaal: daarmee is het soms iets te praktisch en pragmatisch", eindigt Romke zijn betoog.

 

Op de filmacademie zijn wij uitvoerig onderwezen in de auteurstheorie, veel van onze gesprekken gingen dan ook over het belang van auteurschap. Hoe creëer je samen iets met een ziel? Kan dit wel zonder auteur? We besloten Clara Bragdon te interviewen, ook een afgestudeerde production designer, die haar eindscriptie deed over de auteurstheorie.

 

 

CLARA BRAGDON

 

De auteursfilm is in feite een film vanuit het initiatief van de regisseur, hij of zij schrijft het scenario ook zelf. In zo'n productie is de regisseur de visionair. Zijn visie en concept worden tot in de puntjes uitgewerkt en de regisseur is bij elke keuze betrokken. Hierdoor ontstaan er vaak visueel sterke films. Je kan dan ook bijna altijd het handschrift van de auteur terug zien in zijn of haar film.

 

Clara begon met het vertellen over haar scriptie ‘Wat is auteurschap in film?’ en hoe ze tot dit onderwerp gekomen was. ‘’Film is van iedereen!’’ en  ‘’Hoe kan je 1 auteur benoemen in film?‘’ Maar als snel kwam ze erachter dat het toch niet zo duidelijk is. Het verschilt per keer. Je hebt regisseurs die het schrijven en bedenken en een overkoepelende rol spelen. Maar er komen tijdens het maakproces zoveel visies samen dat het niet onder één regisseur benoemd kan worden. En wat voegt het toe? Want film is eigenlijk gewoon een ervaring. Het is zonde om het zo te bestempelen, concludeert Clara. Wat voegt de waarde van een stempel toe aan de film. Maar het blijft volgens Clara wel iets waar je voor altijd over kan discussiëren.

 

Wij vertelde over onze ideeën, werken met een collectief en een film maken zonder aftiteling. Clara zegt hierop dat het wel motiverend kan werken omdat iedereen meer verantwoording  voelt. Maar dat het op een bepaald moment wel echt gemaakt moet worden en dat er toch keuzes gemaakt moeten worden. Ze vraagt zich af of er dan een soort van keerpunt moet zijn. Een praktische fase. Wij vertelde over onze ‘’fase -plan‘’. Een manier waarbij je met iedereen brainstormt en labelloos concepten ontwikkeld, wat zich uit in een non-traditioneel scenario. En dat het uiteindelijk, bij de uitvoering, transparant en duidelijk voor iedereen is wat er gaat gebeuren.

 

Clara bedacht zich een verhaal over June Arnold. Zij schrijf haar eigen scenario's, maar ze heeft altijd een vaste groep filmers waarmee ze haar films maakt. Zij worden helemaal vrijgelaten. June vertrouwt zo in het proces, omdat ze haar crew goed kent. Dat is een hele grote kracht van haar, zegt Clara. Ze werkt dan ook een beetje omgekeerd. Het schrijven en ontwikkelen doet ze helemaal zelf maar bij het filmen is er ruimte voor improvisatie. Bij de edit-fase is ze wel weer autonoom. Dat brengt Clara bij de vraag, hoe zien jullie dat voor je? Je kan moeilijk met iedereen editen. Daar heeft ze natuurlijk een punt. En wij hebben daar op dat moment ook nog geen oplossing voor bedacht. We vertellen onze gedachten over vertrouwen, symbiose en coaching van gelijken waardoor er een film met een ziel kan ontstaan. We zijn het erover eens dat als je een hechte vertrouwensband en vriendschap in elkaar vind, je hierdoor mooie films kan maken. Maar dit is vaak uit initiatief van een regisseur. Die dit zelf zoekt en ‘toelaat’. De duidelijkheid van een RPS-traject is overzichtelijk en concreet.  We begrepen dat elk proces een ander traject met zich meebrengt. Het proces maar ook de film is een ervaring. ‘’Het is ingewikkeld’’, Met deze woorden eindigen we het gesprek. We blijven achter met weer 100 nieuwe vragen en ons hersenen maken overuren.


 

NEELKE JACOBS

 

We besloten het over een andere boeg te gooien. We hadden een afspraak met Neelke Jacobs, in een gekraakte school in Arnhem, die nu diende als vrije atelierruimtes voor verschillende kunstenaars.  We spraken af in Neelke haar atelier, die ze deelde met een ander. Het stond er vol indrukwekkende felle schilderijen en snuisterijen. Neelke is namelijk autonoom kunstenaar. Ze schildert en ze maakt vrije kunst en ruimtelijk werk. Onlangs is ze begonnen als kunstlerares op een buitenschoolse opvang voor kinderen. Hier stimuleert ze kinderen creatief te zijn en spelenderwijs kennis te laten maken met kunst.  Ze inspireert niet alleen kinderen maar ook vluchtelingen en buurtbewoners.  In haar community-projecten probeert ze mensen samen te laten komen en kunst te creëren. Ze geeft wel altijd duidelijke aansturing en kaders. Kaders wekken volgens Neelke creativiteit op en sturing is er nodig om een gematigd gemiddelde te vermijden. Ze gebruikt kunst duidelijk als middel. Film gebruiken om niet alleen een groter publiek te bereiken door middel van het eindresultaat, maar om tijdens het proces al een specifiek gesteld doel te behalen. Een goed voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het ‘Buddy project.’ van Dennis Overeem (Overveem, 2016). Waarbij niet alleen het onderwerp van de film over vluchtelingen in Nederland gaat maar waarbij er ook een samenwerking tussen Nederlandse filmmakers en gevluchte filmmakers aangegaan wordt. De motivatie hiervoor was om zo gevluchte filmmakers in contact te brengen met het netwerk van de Nederlandse filmwereld.

 

Het was een fijn gesprek met Neelke, maar we merkte toch soms moeite te hebben met het verschil tussen film en ‘kunst’. Sommige woorden zoals samenwerken en auteurschap worden dan toch anders opgevat. Daarbij is Neelke ook lerares en kijk je net op een andere manier naar het proces.

 

Dit nog niet helemaal bevattend zaten we in de trein terug naar Amsterdam. We waren een beetje stillig en hadden allebei een beetje een beduusde uitdrukking op ons gezicht. Waar waren we eigenlijk mee bezig? Net zoals altijd hadden onze gedachten ups en downs, maar we zaten nu op echt een vreemde frequentie.

 

We bleven maar over één zin van Neelke nadenken. (Natuurlijk had zij het over lesgeven maar dat realiseerde we ons toen nog niet): ‘’Mensen het gevoel geven dat ze de verantwoordelijkheid hebben om ze zo te motiveren/activeren. Maar ze hebben het dan niet."

Dit is precies waar we eerder zo gefrustreerd van raakten. De desillusie van een samenwerkingsverband waarin iedereen ‘denkt’ gelijk te zijn maar ondertussen is het een poppenkast. Dit is natuurlijk totaal niet altijd het geval. Maar in deze gedachtes verzinken is een gevaarlijke activiteit. Zo willen we helemaal niet over mensen en samenwerken nadenken.

 

Na wat gesudderd te hebben in dit gevoel was loslaten dan ook onze conclusie. We moeten niet uitgaan van bepaalde  machtsverhoudingen en dit ontleden, maar juist ons op het positieve richten en oplossingsgericht blijven denken.

 

We besloten weer terug te gaan naar wat ons altijd al heeft geïnspireerd en heeft gedreven. Iets wat wij impuls ontwikkeling noemen. De perfecte persoon om hierover te spreken was Hiske de Goeje.


 

HISKE DE GOEJE

 

Hiske is in 2017 afgestudeerd aan de Filmacademie als Production Designer maar heeft buiten school samen met Randy Oost en Herman van den Bosch ook de korte film Vloed geschreven en geregisseerd. De film was o.a. te zien op het Buster Filmfestival Kopenhagen en het International Short Filmfestival in Uppsala. De film werd geselecteerd door het Nederlands Film Festival voor de Debuutcompetitie en was genomineerd voor een Gouden Kalf.

 

Hiske komt van een theaterachtergrond waardoor ze al veel vanuit improvisatie en quick-thinking heeft geleerd te werken. Ze is altijd al tegendraads geweest, vertelt ze op een warme vrijdagmiddag op het terras bij de Nieuwmarkt met een biertje in haar hand. ‘’ Ik ga altijd tegen wat verplicht is bij opdrachten, ik hou ervan om tegen kaders aan te vechten.’’ Ze wilde meer dan wat de school haar te bieden had. Ze wilde iets maken vanuit plezier. Ze begon te praten met cameraman Herman van den Bosch en scenarist Randy Oost. Praten zonder rolverdeling. Ze besloten iets te gaan maken voor de plezierige ervaring. Met vooropgesteld:  Dat het leuk blijft. Ze begonnen met het verkennen van hun gezamenlijke grond. Zonder druk of prestatiedrang. Ze hadden al mee dat ze elkaar respecteerde en elkaar erg aardig vonden. Ze schreven een scenario dat volledig bestond uit handelingen en situaties.

 

Het ontwikkelen van een film uit impuls is een veel voorkomend proces. Vaak behelst dit amateur filmmakers, die aan de hand van een (creatieve) vriendschap besluiten samen een film te produceren. We zien om ons heen dat dit ook gebeurd wanneer men wel professioneel wordt opgeleid. Mensen streven er vaak naar om met de vrienden uit het vak iets te willen ontwikkelen. Omdat er wordt ontwikkeld vanuit plezier, is het mogelijk om sneller en soepeler te produceren. Door plezier en vertrouwen ontstaat er motivatie.

 

In het onderzoek van Schaufeli e.a., (2016) gaat het over zelfeffectiviteit en motivatie. Deze specifieke effectiviteit slaat op het individuele vertrouwen in je eigen verantwoordelijkheid om je taken uit te voeren en daarmee succesvolle resultaten te behalen. Omdat zelf-effectieve mensen geloven dat de mogelijkheden beschikbaar zijn om succes te behalen, zijn ze beter bestand tegen stressvolle situaties. Door met intrinsieke motivatie aan de slag te gaan ontstaat er meer motivatie. Daarnaast geeft het onderzoek ook aan dat men het fijn vind om zelf goed te werken, om zo de sociale omgeving uit te breiden. We hebben er dus baat bij om op positieve wijze gewaardeerd te worden.

 

Impuls ontwikkeling mondt uiteindelijk uit in een professionele structuur, waar mogelijk taken via de film hiërarchie verdeeld worden. Het ontstaan ervan is echter losser.
 

Soms lijkt de oplossing op onze visie zo simpel. Met mensen films maken waarmee het goed stroomt en waarmee je kan lachen en plezier maakt. Dat is natuurlijk een optie. Een leven lang op zoek gaan naar ‘het dream team’ (of geluk hebben). Maar onze visie gaat verder dan onszelf. Onze droom werd steeds groter. Wij zijn natuurlijk niet de enige die zo over filmmaken nadachten. De meeste mensen die we spraken wilde dit ook! Lachen en plezier, met als doel natuurlijk: het ongrijpbare geluk. Hoe mooi zou het zijn als we een platform, broedplaats, agentschap, stroming, productiebedrijf; hoe je het maar ook wilt noemen, zouden starten, op of buiten school, om dit te bewerkstelligen. En waarom moet je ‘achter ’dit idee komen? Waarom is school dit niet volledig aan het uitdragen? Waarom werken we altijd in de RPS-vorm? We besloten naar de kern te gaan. We mailde Aafje Terwey, hoofd van de bachelor afdeling van de Filmacademie, voor een gesprek.

 

AAFJE TERWEY

 

RPS staat voor Regie, Productie en Scenario. Het RPS-traject is een van de meest gebruikelijke manieren om films te produceren in Nederland. Producenten of productiehuizen zijn degene die op zoek gaan naar scenaristen en regisseurs, om deze met elkaar te koppelen. Een producent kan een ‘in-house’ scenarist opdracht tot het schrijven van een scenario of een al reeds geschreven scenario opkopen. Deze worden al in het eerste stadium gekoppeld met een regisseur. Dit gaat vaak gepaard onder een contract. Wanneer een scenario ‘final’ is komt de pre-productie echt op stand en schakelt de regisseur zijn crew in om met elk ideeën te sparren over de vormgeving. De heads van deze departementen (DoP, Sound Design, Production Design etc) stuurt vervolgens zijn team weer aan om deze gefilterde ideeën te bewerkstelligen. Zo ontstaat er een overzichtelijke hiërarchie die goed te controleren valt.

In het kantoor van Aafje op de vierde verdieping begonnen we ons interview. Aafje begon het gesprek met de mededeling dat ze geen inhoudelijke mening geeft over wat beter is voor film maar dat ze zich vooral didactisch bezighoudt: wat is belangrijk voor de leerling en de school?

 

De studenten moeten de vrijheid ervaren om zelf te kunnen aangeven en uitvinden wat voor hen persoonlijk werkt. De filmacademie probeert over het algemeen de praktijk na te bootsen. Maar de praktijk werkt natuurlijk iets anders want groepsvorming kan in het echt wel vijf tot tien jaar duren, zegt Aafje. Om het proces te versnellen en meer te kunnen leren geeft de filmacademie aan wie welke rol heeft en worden groepen op deze manier gevormd.

 

We wisten dat het op de HKU er anders aan toe ging. Daar meld je je niet aan voor een specifieke richting maar leer jezelf en je krachten eerst kennen. Het leek ons interessant om hier meer te weten over te komen. De voor- en nadelen van verschillende filmopleidingen.


 

HKU

 

Toen we in Utrecht aankwamen en het nieuwe gebouw van de HKU betraden, werden we overvallen door de hoeveelheid licht van dit gebouw. In het midden van het gebouw is een grote ruimte waar meerdere opleidingen samenkomen om te werken en te lunchen. We spraken af met Lauri Kramer, afdelingshoofd van de opleiding Animatie en Wiendelt Hooijer, studieleider van Audiovisual Media.

 

Hoe verhoudt deze kunstacademie zich tot het medium film? Er werd natuurlijk meteen gesproken over het nieuwe gebouw. Er zit een uitgebreide visie achter: samenwerking wordt meer gestimuleerd door meerdere ‘bloedgroepen’, opleidingen, bij elkaar te zetten. Krijgen de studenten de vrijheid om samenwerkingen op te zoeken? De HKU wil dit zeker uitdragen, maar ze merkte dat het qua roostering soms lastig is. Wel hebben ze vier keer per jaar twee weken lang seminars, dit is HKU breed en iedereen kan zelf bepalen waar hij of zij heen wilt. Mocht je zelf een idee hebben wordt het aangemoedigd om dit aan te geven, dan doen de docenten er alles aan om dit te bewerkstelligen. Betreft planning moet er altijd wel een tutor zijn, daarnaast zijn er mentoren die kijken wat de mogelijkheden zijn en of het haalbaar is.

 

Bij beide opleidingen zijn de eerste twee jaar wel specifiek gericht op de eigen opleiding. Er is geen basisjaar bij AVN, je begint met bepaalde themas te werken in het eerste jaar en daarna mag je een eigen project starten, je bent dan vrij welke vorm je kiest. Onder deze opdrachten zitten theorie en praktijklessen, zoals montage en camera.

Het tweede jaar van AVN richt zich meer op de verdieping, waarom ben ik hier en waarom doe ik dit? Ook hier ben je vrij om elke vorm je kiezen die je wenst. Derde jaar is stage, waar er gezocht wordt naar interdisciplinariteit, kan er bijvoorbeeld iemand van AVN bij de gameafdeling terecht voor een samenwerking? Dit gebeurt ook vaak uit initiatief van de student. Alles is gebaseerd op eigen makerschap. De studenten kiezen voor een werkwijze waar ze zichzelf het meest bij vinden passen. Daarnaast zoekt de HKU naar externe partijen voor opdrachten, maar voordat dit begint, weten de studenten eerst al hoe ze willen werken en hoe ze zich verhouden tot een opdracht. Het afstudeer jaar is geheel zelf invulbaar. Je wordt begeleidt vanuit de visie: wie ben jij als maker? Je wordt daar continu op bevraagd, om zo je eindwerk af te leveren vanuit je eigen makerschap.

 

Lauri haakt in en zegt dat de animatie afdeling net iets anders is ingericht, er zijn minder thema’s omdat de software en de technische kant veel aandacht vragen. Wel wordt elk jaar afgesloten met een project. Vanaf jaar twee is er meer samenwerking mogelijk, dit gebeurt nu nog vaak onderling op de afdeling zelf. De vraag is hier vooral: wie wil jij als maker zijn? Bijvoorbeeld een key animator of mogelijk regie van een animatie? Bij animatie zijn er veel groepen die na het afstuderen gezamenlijk een bedrijf gaan starten. Ook vertelt Lauri dat bij de animatoren veel behoefte is aan samenwerking met scenaristen. Vooral in de eerste jaren kan er niet veel tijd besteed worden aan het concept. Er wordt nu dan ook gezocht hoe dit uitgebreid kan worden.

 

Wiendelt begint over de opkomende systeem van de writers room, wat voor animatie ontzettend interessant is. Hij legt uit dat het systeem van Netflix nog in Nederland geintergreerd moet worden.

 

Hebben Lauri en Wiendelt bepaalde ideeen over specifiek conceptontwikkeling? Lauri zegt dat er geen lessen zijn op het gebied van concept. Wiendelt spreekt over het vak conceptualisatie, van zijn opleiding. Zo worden de schrijfkwaliteiten meer ontwikkeld. De studenten zijn zich erg bewust dat concepten op verschillende maniere kunnen ontstaan en ook hier geldt weer: wat past het beste bij jou als maker?

 

We komen in een gesprek terecht waar ook Wiendelt en Lauri beamen dat de wereld aan het veranderen is. Door alle technieken kan er zoveel meer. Maar het gaat langzaam. Er wordt aangestipt dat docenten ook moeten willen veranderen, en dit vereist samenwerken. Docenten moeten helder kunnen formuleren: dit is één manier, maar er zijn ook andere manieren. Wiendelt: We hebben eigenlijk maar één opdracht: hoe kunnen we jou bewust maken van wat je kan en hoe je dit kan inzetten?

 

We sluiten het gesprek af met ideeen voor de toekomst, misschien kunnen we bijvoorbeeld een plek creeeren waar studenten van meerdere academies bij elkaar komen? Wiendelt zegt dat het Nederlands Film Festival een uitstekende plek kan zijn om deze ontmoetingen te laten plaatsvinden.

 

Na een uitgebreide rondleiding van beide afdelingen stapte wij weer  de auto in om terug te gaan naar onze school. Wie ben jij als maker en hoe kan je iedereen individueel begeleiden, maar wel met gerichte kaders? Wiendelt en Lauri gaven ons inspiratie om hier verder over na te denken. Ook begrepen we beter dat de Filmacademie zich vooral richt op het leren werken in het werkveld in jouw gekozen vakrichting en het HKU richt zich meer in het onderzoeken wat je vakrichting is. Wel is te zien dat, door geen geen vaste vakrichting te hebben in het begin, er meer vrijheid is voor eigen ontwikkeling, wat zijn voor en nadelen heeft. De een is niet beter dan de ander, dat voelen we, en we zijn blij dat we meer inzicht hebben gekregen in de schoolsystemen.

Eenmaal op de filmacademie zochten we naar de mensen in ons jaar die een eigen route hebben gekozen, waar de filmacademie ook toestemming voor heeft gegeven, op basis van dezelfde visie: wie ben jij als maker? We besloten Thijme Grol te interviewen, een productie student die een geheel nieuw traject heeft opgestart, binnen de muren van de filmacademie.
 

THIJME GROL
 

Thijme kreeg in het tweede jaar een helder beeld voor ogen: hij wil zich richten op animatie. Hij las zich in in Pixar en besloot zijn visie door te zetten tot het maken van een animatiefilm, in het vierde jaar.

Thijme heeft een conceptontwikkeling vanuit het Pixar bedrijf, geprobeerd te implementeren in onze schoolstructuur.


Deze manier van samenwerken is gebaseerd op gelijkheid en het continue blijven aanwakkeren van creativiteit. Deze methode wordt vooral toegepast in de animatie-wereld. Bij Pixar wordt er een manier van leven en streven gehanteerd die eigenlijk berust op een filosofie waarbij reflectie cruciaal is.

 

Thijme heeft hard gewerkt om zijn eigen traject er doorheen te krijgen, het maken van planningen en roosteringen was de grootste uitdaging voor hem en de school. Maar in het derde jaar kon er al langzaam een begin gemaakt worden. Thijme hoopt dat zijn traject openingen geeft voor andere studenten die graag een ander pad willen bewandelen.

 

Zo heeft hij een storyteam opgezet, waar scenaristen, een regisseur, productie en visual effects samenwerken, een nieuwe vorm van samenwerken en conceptontwikkeling. Ze kwamen wekelijks bij elkaar in een kantoor. Er werd veel gelachen en nog meer filmpjes gekeken. Naarmate de weken vorderen begon de brainstorm zich ook meer te ontwikkelen en kwam er een idee. Vanaf dat idee kan er al aan de voorkant mee ontwikkeld worden, er wordt gestoryboard, er komt een editor en een sounddesigner bij: alles wordt van te voren al zo goed uitbedacht, dat het alleen nog maar geanimeerd hoeft te worden. Thijme houdt het Pixar systeem aan, maar merkt dat planning nog vaak een kink in de kabel is. Ook hij gelooft in verandering maar ziet ook dat dit traag is. Hij verteld over een filmschool in Duitsland waar er twee aparte gebouwen zijn, een voor productie en een voor animatie. De samenwerking verloopt hier vaak goed en snel. Op de filmacademie is visual effects vaak echt nog een aparte vakklas die niet veel in contact staat met de RPS vakklassen.

 

Hoe heeft thijme de Pixar manier tot nu toe ervaren? Hij was zich er heel erg van bewust dat er niet het gevoel moet ontstaan dat de rest van de visual effects klas wordt buitengesloten. Daarom besloot hij om de week met het hele storyteam te pitchen voor de klas. Zo ontstond er een discussie en de inbreng van de klas kon het storyteam weer meenemen naar het idee. Zo noemde bijvoorbeeld iemand een locatie, waar het team weer verder mee ging, dat versterkte het verhaal. Dit is voor Thijme iets logisch: met z’n twintigen kan je veel meer bedenken. Wel merkte hij ook dat het soms wat moeizaam verliep. Er ontstaan bij veranderingen ook blokkades. Hoe zorg je ervoor dat iedereen tevreden is? Alleen door het storyteam een naam te geven, creeer je al een scheve verhouding, waardoor bijvoorbeeld de visual effects klas moest wennen aan deze structuur. Maar dit werd mettertijd minder. Het is ontzettend moeilijk om in een korte tijd een nieuwe structuur neer te zetten, veronderstelt Thijme, mensen moeten wennen aan nieuwe structuren. Het is soms een ontzettende chaos, maar wel een leuke chaos, sluit Thijme af.

 

We denken na of deze structuur ook in een docu of fictie setting kan worden geplaatst. Thijme weet dit ook niet maar zegt dat het belangrijk is dat het verhaal de leider is - daar gaat iedereen voor. Wel moeten er natuurlijk een eindverantwoordelijke zijn, er moet overzicht worden gehouden. De regisseur ziet Thijme als een communicatiepersoon, iemand die inhoudelijk de vragen kan beantwoorden, hij beslist niet hoe het moet, maar draagt de gehele visie van het team bij zich die hij waarborgt. Maar het blijft een grijs gebied. Thijme bewaakt vooral het groepsproces en de planning, zodat creativiteit structuur krijgt.

 

Na Thijme gingen we meteen in gesprek met Sem Schwengle, ook een vierdejaars student die gekozen heeft voor een alternatief afstudeertraject, namelijk een VR concept.


 

SEM SCHWENGLE

 

Sem was al een tijd zeer geïnteresseerd in VR en animatie en heeft daarmee zijn eigen pad en onderzoek uitgestippeld. Afdeling immersive media, wat nu vormgegeven wordt door Harry Schreurs, kreeg een opdracht vanuit het Anne Frank huis. Ze wilden een VR-project gebaseerd op het boek van Anne Frank, zodat mensen die niet in staat zijn om het huis te bewandelen, via VR het huis kunnen beleven. Sem heeft zich hier volledig op gestort.

 

Hoe schrijf je voor VR? Sem begon met het lezen van het dagboek en maakte daar een structuur uit op. Hij bedacht een format en presenteerde dit aan het Anne Frank huis, waardoor hij groen licht kreeg om het concept door te ontwikkelen. Sem heeft dit alleen gedaan, wat hem af en toe wel zwaar viel: "VR is geen filmscenario, daar zijn de regels al gemaakt en heb je een houvast. VR is volledig nieuw, er kan nog van alles worden geprobeerd. De filmwereld speelt al wel met de 360 graden films, maar dat is nog erg statisch en passief, je kan als kijker rondkijken, niet anticiperen." Sem vervolgt, "VR daarentegen, is een computer gegenereerde ruimte, waardoor er veel meer bewegingsvrijheid is. Het vereist een andere manier van nadenken om dit te ontwikkelen. Film is een vertoning, VR is een beleving, je zit er midden in. Als kijker moet je meedoen, emotioneel meegenomen worden met geluid en licht." Maar dit houdt ook in dat alle bewegingen consequenties hebben, dit was voor Sem vooral een zoektocht. Het is uniek om dit zelf uit te vogelen maar bij volledige vrijheid kan een houvast ook ontzettend waardevol zijn.

 

Omdat je in VR mensen op meerdere manieren moet gaan aansturen, vereist het schrijven veel denkwerk, zegt Sem. “Ik heb het heel erg op de gok gedaan, voorstellen dat je zelf in de kamer zit en een sfeer overbrengen. Denk bijvoorbeeld aan angst. Gebaseerd op Anne Frank haar schrijfwerk, probeer ik daar een ervaring van te creëren.”

 

Sem zegt dat romans uitstekend geschikt zijn voor VR, omdat literatuur ook erg bezig is met de beleving, het uitschrijven van beeld, geluid en emotie. Ook zegt Sem dat het specifiek bij zijn project handig is om van te voren al meerdere disciplines te betrekken, zo kan je samen echt een wereld bouwen waar het verhaal zich afspeelt.

Sem weet het zeker: hij kiest voor VR. Dit geeft hem meer vrijheid en voldoening. Op dit moment wordt er veel geïnvesteerd in VR en over tien jaar is het een markt van 100 miljard, speculeert men, maar, niemand weet waar het naartoe gaat.

 

Sem zit ook in het storyteam van het animatie traject van Thijme. Iets wat voor hem als heel natuurlijk aanvoelt. Hij stelt wel: protocollen zijn handig, maar het is altijd goed om dit niet strak te volgen, juist als je afwijkt creëer je meer vrijheid en betere ideeën. Een wijs advies om het gesprek mee af te ronden. We bedankten Sem en besloten weer los te komen van onze vertrouwde muren en het veld in te gaan.

THOMAS BORN

 

Thomas Born, regisseur van o.a. videoclips en modefilms, is als autodidact de visuele wereld ingestapt. Op een klein terrasje in West spraken we af. Omdat hij niet opgeleid is en dus zelf zijn structuur moest vinden, vonden we het interessant om te kijken hoe hij conceptontwikkeling ziet.

 

Het werd een interessant gesprek. Thomas zocht meer naar structuur, terwijl wij juist wilden losbreken van structuur. We begrepen elkaar niet, terwijl Thomas eigenlijk al veel meer met meerdere disciplines samenwerkt om tot een concept te komen. Zoals met zijn editor. Het gesprek ging over naar de set. Thomas betoogde dat structuur altijd goed werkt en begreep niet waarom je het zou veranderen. Na de nodige reflecties snapte wij heel erg goed waar hij vandaan kwam. Het liet ons nadenken over het uitvoerende gedeelte van het maken van iets creatiefs. Op de set, of tijdens het maakproces, moet er helderheid zijn over je eigen taak. Wanneer je elke draaidag weer opnieuw gaat kijken wie dit keer de regisseur is, of de opnameleiding, zit het proces het verhaal in de weg. Tenzij je duidelijk hiervoor kiest: een experiment aangaan om los te breken van je eigen gereedschap en zo met andere ogen naar het maakproces kijkt.

 

We begrepen hoe gestroomlijnd deze manier van werken kan zijn, zoals Romke in het begin al zei: je kan excelleren in je eigen vakgebied. Of je nou uitvoerend of conceptueel vanuit jouw expertise betrokken bent, je hebt je eigen gereedschap om een toevoeging te geven aan het geheel.

Door het afnemen van deze interviews is onze horizon flink verbreedt. Waardoor we achter één concreet ding zijn gekomen. Onze visie en ideeën zijn dynamisch en moeten dat voor altijd blijven. We zullen niet één methodiek ontwikkelen, of met hèt antwoord komen. Het is ons duidelijk. Er is geen antwoord, alleen meer vragen op onze vragen. Maar door middel van blijven vragen en onderzoeken en experimenteren, leiden we al een bestaan als filmmaker zoals wij die voor ogen hebben. Nu is de vraag nog.. Hoe brengen we dit over naar andere gelijkgestemde? Hoe moeten we onszelf benoemen en vestigen? Een platform bieden? Als agentschap fungeren? Een creatief productiebedrijf beginnen? Of klein beginnen, vanuit 1 ruimte, waar iedereen welkom is, een stroming, een manier van leven en omgaan met elkaar,  het experiment aangaan van durven leven, dromen en vooral: creëren.

Interviews zijn op te vragen bij ons.